Nabehandeling van kwaadaardige schildklieraandoeningen.

Kwaadaardige gezwellen van de schildklier gezwellen zijn weinig frequent en hebben doorgaans een goede prognose.  De diagnose is gebaseerd op onderzoek door de patholoog van de gehele klier of van een gedeelte van de klier welke door de chirurg is weggenomen.

Er bestaan talrijke redenen om patiënten met een kwaadaardig schildkliergezwel na te behandelen met radioactief Jodium-131:
- de wegname van weefsel uit de hals is slechts zelden volledig en het risico bestaat altijd dat er zich in deze niet weggenomen weefsels, kwaadaardige cellen bevinden.
- er kan zich soms schildklierweefsel bevinden in ongewone gebieden,
- het kwaadaardig weefsel treedt soms buiten de schildklier en tast aangrenzende weefsels aan.
Maar, waar zij zich ook bevinden in het lichaam, deze schildkliercellen behouden meestal hun eigenschap om actief jodium op te stapelen. Jodium-131 toedienen aan deze patiënten, leidt tot de vernietiging van al deze overblijvende schildkliercellen. 

Hoe gebeurt deze nabehandeling met radio-actief jodium?
De dosis radio-actief jodium zal 10 tot 20 maal hoger (100-150 milliCurie) liggen dan in geval van behandeling van goedaardig schildklierlijden.  De toediening gebeurt door de dosis jodium-131 in een kleine capsule met water door te slikken of door middel van injectie van de vloeibare dosis in een ader. 
Om de opname van radioactief jodium in de schildkliercellen sterk te bevorderen, gebeurt de toediening soms na twee dagen injecties met THYROGEN in de bilspier, en soms na het

onderbreken van de vervangingsbehandeling met Thyroxine gedurende minstens één maand.

De patiënten zijn dus tijdelijk “stralend” zo lang dit jodium in het lichaam blijft. Men moet dus derden (familie, zorgverleners, enz.) beschermen tegen blootstelling aan deze straling.
Bovendien gaat het grootste gedeelte van het radioactieve jodium uitgescheiden worden in de urine, in het speeksel, in de stoelgang, in het zweet, en in de neussecreties.  Gedurende de periode dat dit jodium uitgescheiden wordt, is de patiënt een mogelijke bron van besmetting d.w.z. dat door de urine, het speeksel, enz. radioactief jodium kan verspreid worden in de omgeving en eventueel in het lichaam van andere personen kan binnendringen en zich opstapelen in de schildklier, met mogelijke schadelijke gevolgen (verminderen of stilvallen van de hormoonproductie).
Daarom is een korte opname en isolatie aangewezen (3 tot 4 dagen) in een speciale voorbereide kamer welke nadien gemakkelijk kan opgeruimd worden met een minimum aan bestralingsrisico voor het personeel: de kamer en de meest gebruikte voorwerpen worden gedeeltelijk afgeplakt met absorbeerbaar papier. Het meest specifieke voorwerp op deze kamer is een diepvriestoilet: urine en stoelgang worden gedurende zes maanden bewaard tot volledig afsterven van de radioactiviteit. Om die reden dienen alle voorwerpen, die de patiënt in de kamer heeft meegebracht, ter plaatse te blijven. 
Eén week na het toedienen van de dosis radio-actief jodium wordt dmv een volledige lichaamsscintigrafie het overblijvende jodium in de cellen opgemeten en in beeld gebracht.