Schildklieronderzoek

Een degelijk onderzoek begint bij het ondervragen van de patiënt naar klachten en symptomen van gebeurlijke schildklier-aandoeningen. Nadien dient een grondig klinisch onderzoek te gebeuren. Palpatie van de schildklier gebeurt het best wanneer de arts achter de patiënt staat en met twee handen de hals betast. 
Aangezien het schildklierhormoon werkzaam is in het gehele lichaam, is bij werkingsstoornissen of bij vermoeden van kwaadaardig schildklierlijden  een volledig onderzoek van de patiënt aangewezen.

In geval van een schildklierprobleem is meestal verder technisch onderzoek aangewezen.

De werking van de schildklier kan gecontroleerd worden door een bloedanalyse: rechtsreekse bepaling van de schildklierhormoon-concentraties en van het TSHgehalte in het bloed. Het meten van de actieve jodiumopname in de schildklier gebeurt dmv een captatiebepaling.

Vormafwijkingen worden het best in het licht gesteld door een schildklierscintigrafie en een echografie van de hals.

Bij knobbelvorming kan de aard van het letsel bepaald worden door een fijne naald punctie met cytologisch onderzoek van het vocht door een patholoog.

Scintigrafie, echografie en fijne naald punctie zijn onmiddellijk beschikbaar in de schildklierkliniek en worden door de verantwoordelijke arts zelf uitgevoerd.

Naast de hoger vermelde onderzoeken, die het meest gebruikt worden in de dagelijks praktijk, zijn er nog een aantal technische onderzoeken mogelijk om de schildklier of om de gevolgen van gestoorde werking of van vormafijkingen in het licht te stellen:
In radiologie: CTscan en NMR.
In nucleaire geneeskunde: total bodyscintigrafie met I-131.
In combinatie van deze twee specialismen: SPECT/CT en PET/CT.